Orc sloeg zijn fles kapot tegen de kop van het blauwogige insect. Het haalde niets uit. Dat had hij ook niet verwacht.
Het beest beschreef een wijde boog met zijn kaken en raakte Orc op zijn borst. Orc vloog door de lucht en belandde met zijn gezicht op het grind.
Hij kreeg geen lucht meer. Maar hij was niet dood.
Langzaam kwam hij overeind. Waarom zou hij zich haasten?
‘Kom me maar halen,’ zei Orc.
Drie van de monsters draafden recht op hem af. Orc deelde een woeste mep uit, raakte niets en lag weer plat op de grond. Dit keer zaten er drie touwachtige tongen rond zijn lijf en kon hij niet meer opstaan.
Astrid gilde.
‘Dan niet, joh,’ zei hij terwijl de knauwende bekken steeds dichterbij kwamen.
Jack had de hele nacht gelopen en gerend. Zijn bestemming was Perdido Beach. Maar zijn missie, hoewel overduidelijk, zat hem niet lekker.
Hoe kon Sam tegen hem zeggen dat hij Kleine Pete voor die beesten moest gooien? Dat was toch gestoord? Gestoord. Het kon niet goed zijn.
Hij rende heuvels op en af. Hij was niet onvermoeibaar, maar hij was heel sterk en voor de eerste keer genoot hij van zijn kracht. Jack had het gevoel alsof hij achter een gordijn had geleefd, en nooit echt had gezien wat er om hem heen gebeurde.
Dat was veranderd toen hij de laptops in de trein had gevonden. Het was zo heerlijk om weer een werkend toetsenbord aan te raken, een beeldscherm te zien opgloeien… Zelfs al had hij er weinig tijd aan kunnen besteden, het voelde toch als magie, een magische aanraking.
En toen hij had gevochten, had hij weer een heel ander gevoel gekregen. Hij had zijn gigantische kracht aangewend en hij had Sams leven gered, en dat van Dekka en Toto. Hij! Hij, nota bene: Computer Jack.
Hij was een held.
Hij zag er nog steeds niet uit als een held – hij was niet langer of breder dan vroeger, hij was niet in een soort megagespierde worstelaar veranderd of zo. Hij was nog steeds pafferige, bijziende Jack. Maar zijn kracht had wel opeens een soort betekenis gekregen voor hem.
Hij kon Computer Jack zijn. Maar hij kon ook méér zijn.
Maar toch – wilde Sam echt dat hij Kleine Pete vermoordde? Was dat wel goed te praten?
Hij was richting de stad gerend, of wat naar zijn idee in elk geval richting de stad was. Vanaf een heuveltop had hij in de verte water zien glinsteren en bedacht dat de stad, ach, ergens daar in de buurt moest zijn.
Maar nu besefte hij uiteindelijk dat hij hopeloos verdwaald was. Hij bevond zich ergens diep in het bos, en dit zouden de heuvels kunnen zijn waar Hunter had gewoond, maar het zou net zo goed het Stefano Rey-woud kunnen zijn.
Toen hoorde hij een kreet. Een menselijke kreet. Het klonk als een meisje dat gilde.
Jack verstijfde. Hij ademde zwaar. Spitste zijn oren. Maar er kwam geen tweede kreet. Hij hoorde hem in elk geval niet.
Wat moest hij doen? Sam had hem een opdracht gegeven. Hij moest Edilio waarschuwen. En hij moest… Hij durfde de gedachte aan wat hij moest doen bijna niet toe te laten in zijn hoofd.
Maar hij kon een gil toch niet zomaar negeren?
‘Ga kijken,’ fluisterde Jack tegen zichzelf. ‘Wie het ook is, misschien heeft ze hulp nodig. En misschien weet zij wel waar we zijn.’
Hij zei het niet, maar hij dacht het wel: en misschien hoef ik dan niet meer naar de stad.
Jack rende op het geluid af, door een diepe kloof vol struiken en aan de andere kant weer omhoog. Hij stond opeens op een smalle weg die tussen hoge bomen door liep.
‘Coates!’ zei hij.
Hij hoorde geen gegil meer, maar hij hoorde wel iets wat klonk als een vuistgevecht.
Plotseling leek de heldenrol een stuk minder aantrekkelijk.
Hij liep op een behoedzaam drafje verder. Door het ijzeren hek van de school. En daar zag hij een scène die rechtstreeks uit een horrorfilm leek te komen. Een monster van steen, bedolven onder een massa onvoorstelbaar grote insecten.
Iemand keek boven door een raam op het tafereel neer: Astrid.
En daar, terwijl zijn tentakelarm net weer zijn volle lengte bereikte, was Drake.
Ja, dacht Jack, dat hele heldengedoe had beslist zijn keerzijde.
Drake kwam tevoorschijn in een situatie die niet mooier had kunnen zijn.
Orc werd verpletterd onder een horde insecten.
Astrid staarde doodsbang naar beneden.
En Drake had geen idee wat hij hier deed, maar daar stond Computer Jack met open mond te kijken.
Drake grijnsde omhoog naar Astrid. ‘Blijf waar je bent, schoonheid, ik kom zo boven om met je te spelen. Ik moet alleen nog even hallo zeggen tegen mijn oude makker Jack.’
‘Jack!’ schreeuwde Astrid. ‘Help Orc!’
Twee van de beesten richtten hun griezelige blauwe ogen op Jack.
‘Wat zullen we eens met jou doen, Computer Jack?’ vroeg Drake.
‘Ik zoek geen problemen,’ zei Jack.
Drake maakte een ‘tut, tut’-geluid en schudde zijn hoofd. ‘Volgens mij zit jij behoorlijk diep in de problemen, Jack. Overal problemen.’ Toen schoot hem iets te binnen en hij keek Jack onderzoekend aan. ‘Waar is Sam? Heeft hij je er in je eentje op uit gestuurd? Als een grote jongen?’
Ondertussen kwam Drake steeds dichterbij, geduldig afwachtend tot hij met zijn zweephand bij Jack kon komen. Jack deinsde langzaam achteruit.
Orc brulde van pijn. De beesten in Drakes leger knalden tegen elkaar op alsof het botsauto’s waren, zo graag wilden ze zich allemaal op de monsterjongen storten.
‘En je was zo stoer en gevaarlijk bij het meer, Jack,’ tartte Drake. Nog een meter en Jack was binnen zijn bereik.
‘Ik heb alleen…’ Toen hapte Jack naar adem door iets wat hij kennelijk achter Drakes rug had gezien.
Drake draaide zich om om te kijken en in die fractie van een seconde sprong Jack op hem af. Drake keerde zich vliegensvlug weer om, snel als een slang, maar het enige wat hem dat opleverde was een waanzinnig harde klap recht in zijn gezicht.
Toen hij weer overeind krabbelde zag Drake dat hij minstens zeven meter door de lucht was gevlogen.
Hij stond op en wreef over zijn kin. ‘Dat was niet slecht, Jack. Wauw. Ik had wel dood kunnen zijn. Als ik gedood zou kunnen worden, natuurlijk.’
Jack probeerde hem te snel af te zijn en rende naar de deur, ongetwijfeld van plan om de jonkvrouw in nood te redden.
Drake lachte en zwaaide met zijn zweeparm. Hij sloeg hem om Jacks been en zou hem normaal gesproken hebben laten struikelen, maar hij had niet op Jacks kracht gerekend. In plaats van Jack ten val te brengen was het Drake die met zijn gezicht plat op de grond belandde.
Hij liet los, rolde door en stond in één vloeiende beweging weer op, maar het was wel vernederend.
Drakes zweephand knalde en striemde over Jacks rug. Jack slaakte een kreet van pijn, maar hij bleef niet staan en denderde rechtstreeks de kluwen insecten in. Hij pakte de eerste de beste poot die hij tegenkwam en trok er hard aan.
De poot liet los. Het beest ging gewoon door, leek er niet eens last van te hebben, maar Jack had nu wel een wapen in handen.
‘Ik zou maar een beetje opschieten als je Orc nog wilt redden, Jack,’ zei Drake gemeen. ‘Het lijkt erop dat hij het niet gaat halen.’
Orcs brullende stem klonk schor en steeds zachter. Het gebonk van pantser tegen pantser werd harder en wilder.
Nog even en ze zouden Orc doden. En dan zou Drakes leger zich op Jack storten. Het enige wat Drake hoefde te doen was Jack afleiden.
Jack brak de poot in twee stukken; de ene helft was dik en stomp, de andere helft scherp en puntig.
Drake liet zijn zweep knallen en er kwam bloed door Jacks shirt.
‘Kom op, Jack, je weet dat je niet kunt winnen,’ zei Drake. ‘Je kunt me niet vermoorden. En je kunt mijn leger niet tegenhouden. Je kunt jezelf alleen redden door je bij mij aan te sluiten.’
‘Nee,’ zei Jack.
‘Mijn kant is de enige die er nog is, Jack. Een ander insectenleger vreet zich op dit moment een weg door Perdido Beach. Voor wie denk je eigenlijk te vechten? Wat de roodogen niet afmaken krijgen wij wel te pakken als we naar de stad gaan.’
‘Je weet helemaal niet wat er in Perdido Beach gebeurt,’ zei Jack.
‘Ik hoor het van de Duisternis,’ loog Drake. ‘Hij heeft me macht over ze gegeven. We ruimen iedereen op, Jack. Aan het eind van de dag zijn ze allemaal dood. Sluit je bij mij aan, dan laat hij je misschien leven.’
Hij liet zijn zweep zo snel knallen dat Jack hem niet zag aankomen. De tentakel krulde zich om Jacks keel. Jack gaf een ruk aan de zweep, maar daardoor werd Drake alleen maar naar Jack toe getrokken. Hij lachte recht in zijn gezicht en legde zijn zweep nog steviger om Jacks keel en kneep en kneep tot Jacks bleke gezicht rood aanliep.
Jack stompte hem zo hard in zijn borst dat zijn vuist er aan de andere kant weer uit kwam. Maar Drakes greep verslapte geen moment en Jacks ogen puilden uit en Drake lachte en Orcs stem was niet meer te horen boven het geluid van de knagende bekken uit.
‘Sam! Sam, je hebt gezworen dat je het niet zou laten gebeuren!’
De boot botste tegen de steiger en Quinn stuurde zijn roeiers onmiddellijk op pad, ze renden weg en schreeuwden Lana’s naam.
‘Ik heb iets bedacht, Dekka,’ zei Sam.
Haar lichaam had niets menselijks meer. Het pulseerde onder haar kleren. De beesten scheurden er op sommige plekken doorheen, bekken flitsten, kaken porden. Eén beest kwam nu helemaal naar buiten. Het verstijfde even en staarde Sam met bleekgroene ogen aan.
Hij deed er een uitval naar, pakte het beet en liet het vallen. Maar Quinn was sneller. Hij gooide een visnet over het dier heen, ging op de randen van het net staan en hield het gevangen op de bodem van de boot.
‘Nu!’ smeekte Dekka. ‘Nu, Sam! Nu! Nu, alsjeblieft!’
Een tweede insect was duidelijk te zien terwijl het door haar bovenbeen kroop, alleen nog bedekt door een dun laagje vel.
‘Ik heb een plan, Dekka, ik heb een plan, hou vol, hou vol,’ smeekte Sam.
‘Neeee.’ Het was een meelijwekkende wanhoopskreet.
Sam wierp een radeloze blik op de werf. Niets. Geen Lana. Alle vissers waren verdwenen.
Quinn had een roeiriem gepakt en hakte als een heimachine op het gevangen beest in, telkens weer, hij mepte en sloeg en toch bleef het ding leven.
Plotseling voelden ze een windvlaag en stond Brianna aan het eind van de steiger, trillend, helemaal bedekt met smerige smurrie. ‘Werd ook wel tijd dat jij…’ Ze zweeg toen ze besefte wat er met Dekka aan de hand was. ‘Wat krijgen we…’
‘Wind: Lana. Nu! nu!’ schreeuwde Sam, maar de tweede ‘nu’ riep hij tegen lucht.
‘Ik moet… Ik wil haar nog een keer zien…’ wauwelde Dekka.
‘Laat me niet in de steek, Dekka. Laat me niet in de steek.’
Maar Dekka’s ogen rolden wild in hun kassen, haar hele lichaam schokte.
‘Quinn. Ik heb een plan… Hou haar gewoon vast. Hou haar vast, wat er ook gebeurt.’
Quinn sloeg nog één keer hard op het insect, en als het niet dood was ging het voorlopig in elk geval nergens naartoe. Hij zakte op zijn knieën en hield Dekka’s schouders vast.
‘Wat ga je doen?’ vroeg Quinn.
‘Opereren,’ zei Sam.
Hij stak zijn rechterhand op. De groene lichtbundel, dun en scherp als een laserstraal, sneed door Dekka’s kleren en huid.
Brianna vond Lana terwijl ze met Sanjit onderweg was naar de oostkant van de stad.
‘Lana!’
‘Je leeft nog!’ zei Lana. ‘En de kinderen?’
‘Een heleboel kinderen zijn dood,’ hijgde Brianna. ‘En er zijn er nog veel meer gewond, maar de insecten zijn er geweest.’
‘Ik kom eraan,’ zei Lana, en ze wilde terug naar het plein draven.
‘Ja. Verkeerde kant op en te langzaam,’ zei Brianna. ‘Geef me je hand. Je moet jezelf straks maar genezen.’
Brianna ging ervandoor en sleurde Lana mee, die meteen struikelde. Ze sleepte de Genezer de hele straat door, en toen het hele stuk langs het strand.
Omdat ze Lana meesleepte kon Brianna niet op volle snelheid rennen, maar het ging in elk geval harder dan een normaal mens ooit zou kunnen rennen.
De benen van de Genezer waren rauw en ontveld tegen de tijd dat Brianna haar aan het uiteinde van de steiger overeind zette.
‘Ik heb ’r!’ deelde Brianna mee. Toen zei ze: ‘Wat doe jij nou?’
Sams gezicht was vertrokken van afgrijzen. Hij had Dekka van haar nek tot haar heupen opengesneden. Dekka’s organen – alsof er een slachting had plaatsgevonden – krioelden van de insecten, tientallen beesten die allemaal naar buiten kropen.
Quinn griste de beesten weg en gooide ze vanuit de boot het water in. Hij zat tot zijn ellebogen onder het bloed.
‘Lana, hou haar in leven,’ zei Sam.
Lana sprong de boot in, die wild op en neer schommelde.
Dekka kon niets meer uitbrengen, niet eens meer schreeuwen.
Lana legde haar handen op Dekka’s verwrongen gezicht.
Brianna sprong achter haar de boot in, kwam vederlicht neer en duwde Quinn en Sam allebei aan de kant. ‘Laat mij maar,’ zei ze.
Een voor een rukte ze de kruipende beesten – waarvan sommige meteen Sam probeerden aan te vallen en andere juist als paniekerige kakkerlakken in de boot heen en weer renden – naar buiten, legde ze op hun rug en schoot ze met haar jachtgeweer recht door de bodem van de boot.
Quinn gooide een touw over een bolder op de steiger en haalde de zinkende boot in. Sam en Quinn trokken en duwden Dekka de steiger op, waar ze opengespleten als een gebarsten sinaasappel bleef liggen.
Lana legde Dekka’s hoofd op haar schoot.
Sam, Quinn en een of andere raar uitziende jongen die Brianna vaag bekend voorkwam stonden in een kringetje vol gruwelende fascinatie te kijken.
De boot zonk. De kapotgeschoten insecten dreven weg.
Dekka’s mond bewoog, maar er kwam geen geluid uit. Haar ogen leken wel knikkers, rollend, zoekend, zonder iets te zien.
‘Ze probeert iets te zeggen,’ zei Quinn.
‘Ze zou haar mond moeten houden en zich door mij in leven moeten laten houden,’ snauwde Lana. De Genezer wierp Brianna een giftige blik toe. ‘Ik heb een paar schoenen van je tegoed.’
Opnieuw probeerde Dekka iets te zeggen.
‘Het gaat om jou, Brianna,’ zei Sam. ‘Ze heeft het tegen jou.’
Brianna fronste haar wenkbrauwen en wist niet zeker of Sam het wel goed had begrepen. Maar ze knielde naast Dekka neer en hield haar oor bij haar mond.
Brianna luisterde, sloot haar ogen even en stond toen zonder iets te zeggen op.
‘Wat zei ze?’ vroeg Quinn.
‘Dank je wel,’ zei Brianna. ‘Ze zei gewoon dank je wel.’
Ze draaide zich om en ging ervandoor, maar niet snel genoeg om niet te horen dat de vreemde nieuwe jongen zei: ‘Dat is niet waar.’